Werk je aan een boek? Doe het goed!

Als redacteur van voornamelijk non-fictieboeken heb ik al heel wat manuscripten voorbij zien komen. Boeken met uiteenlopende onderwerpen, geschreven in allerlei stijlen waar ik met mijn rode pen kwistig of summier in kon krabbelen, strepen en tekenen. Wat heb ik toch een heerlijk vak! Veel van die manuscripten kwamen van uitgeverijen, dus dan wist je dat je je alleen hoefde te bekommeren om de tekst. Inmiddels ben ik alweer bijna drie jaar zelfstandig bezig – nog steeds voor uitgeverijen, maar ook steeds meer voor particulieren.

Ik merk steeds meer dat het voor die groep mensen best ingewikkeld is. Auteurs die hun boeken in eigen beheer uitgeven, laten het drukken meestal doen door een uitgeverij als Free Musketeers of Boekscout.nl, maar ze moeten vaak zelf op zoek naar een eindredacteur (als ze die moeite nemen – vaak gebeurt dat niet eens) en vormgever. Voor hen is dit echter onbekend terrein, en dat heb ik gemerkt. Vandaar dat ik in deze blog een paar basistips geef hoe het beter kan.

Lees verder

Geef een reactie

Opgeslagen onder boeken, Nederlands, redactie, schrijven, taal

Strijd leveren met de s

De s is een lastige letter: er zijn niet echt vaste regels voor te geven en hij komt terug in verschillende functies in het Nederlands. Je gebruikt het om bezit aan te geven, maar ook het meervoud; soms is het een tussenletter, maar niet altijd en bij sommige bijvoeglijke naamwoorden keert de s-z-kwestie weer terug. Leidend bij het gebruik van de s is … de uitspraak.

Bezit

In plaats van Dat is de fiets van Jan kun je ook zeggen Dat is Jans fiets. Dat is algemeen bekend. Wat ik bij Leef in tekst echter vaak tegenkom is Dat is Jan’s fiets. En hoe begrijpelijk het ook is, het is wel fout. Waarschijnlijk wordt die fout gemaakt vanwege invloed vanuit het Engels: That’s John’s bike. Hoe moet het dan wel?

  • Eindigt het woord op een medeklinker, dan komt in het algemeen de s eraan vast: Jans fiets, Karels auto. Als het woord zelf op een -s eindigt, dan gebruik je wel een apostrof: Jans’ fiets (= de fiets van Jans). De uitspraak van het woord is hier leidend, dus ook: Beatrix’ hoed, George’ horloge, Inez’ tuin. Maar: Dutrouxs gevangenisstraf, want je hoort in Dutroux geen s.
  • Eindigt het woord op één klinker, dan gebruik je de apostrof ook: opa’s rollator, mama’s laptop, de baby’s knuistjes. Eindigt het woord echter op een -é of een toonloze -e (de ‘stomme e’), dan schrijf je de s eraan vast: Josés vakantie, Hannes zoon. Eindigt het woord op twee klinkers of op de -ij, dan komt de s er ook aan vast: George Clooneys fans, Fikkies hok.

Overigens mag je van de witte spelling wél overal een apostrof gebruiken.

Meervoud

Sommige woorden eindigen in het meervoud op een -s in plaats van op een -n. Als de uitspraak van het woord in het meervoud niet verandert, schrijf je de s eraan vast: torens, i-Pods. Als de uitspraak van het woord wél verandert, gebruik je een apostrof:

  • bij woorden die eindigen op een klinker: opa’s, mama’s. Bij woorden op een -é of een toonloze -e en bij woorden op twee klinkers schrijf je de s eraan vast: cakes, kopjes. Woorden uit het Engels die in het Nederlands zijn overgenomen vol
    gen de Nederlandse spellingsregels: baby’s, puppy’s;
  • sommige afkortingen: cd’s, havo’s, mbo’s.

Tussen-s

De tussen-s komt voor bij samenstellingen en sommige afleidingen (op samenstellingen en afleidingen kom ik later nog terug). Ook hier is de uitspraak leidend: als veel mensen de s uitspreken, schrijf je die ook. Bij woorden die sommigen wel en anderen niet met de s uitspreken, zijn beide vormen mogelijk. Er zijn woorden waarbij je altijd een s gebruikt:

    • als het eindigt op -gewijs, -halve of -waard(ig) (de laatste met een werkwoordsstam ervoor): ambtshalve;
als het eerste deel van de samenstelling eindigt op -heid, -ing, -schap of -teit: veiligheidsmaatregelen;
  • als het eerste deel een persoonsaanduiding is op -eur, -aar, -er, -ier, -aar en in het meervoud een s krijgt: tovernaarsleerling.

Bij sommige woorden kan er betekenisverschil optreden en moet je opletten welk woord je wilt gebruiken: een schilderatelier is een atelier waar geschilderd wordt en een schildersatelier is een atelier voor schilders.

Onze Taal geeft in het boekje Spelling geregeld een handige tip. Als je niet zeker weet of je een s moet schrijven o

  • mdat het tweede deel van de samenstelling met een s begint, maak dan een andere samenstelling waarvan het tweede deel niet met een s begint. Voorbeeld: is het stationsstraat of stationstraat? Het is stationsplein, dus stationsstraat.

Bijvoeglijke naamwoorden

Hier keert de s/z-kwestie uit mijn vorige blog terug. Bijvoeglijke naamwoorden met een lange klinker krijgen een z in de verbogen vorm: vies – vieze, maar niet bij allemaal: kuis – kuise, hees – hese.

De s blijft ook behouden bij woorden die een vrouwelijke inwoner van een land of streek aanduiden: een vrouw uit China noemen we ook wel een Chinese (maar: twee Chinezen). Ook schrijf je een s bij bijvoeglijk gebruikte aardrijkskundige namen op -ees: de Chinese cultuur.

Na het lezen van deze blog duizelt het je waarschijnlijk – en dat kan ik je niet kwalijk nemen. Want hoewel de uitspraakregel bij de meeste gevallen wel werkt, zijn er nog steeds woorden waar je het niet goed kunt horen. Ik hoop dat ik je met deze blog een paar wapens heb gegeven om triomferend uit de strijd met de s te komen!

1 reactie

Opgeslagen onder freelancer, LEEF in tekst, Leef in tekst, Nederlands, redactie, taal, tekstschrijver

Letters en cijfers

Inmiddels zijn jullie expert op het gebied van hoofdletters en kleine letters in het Nederlands. Tijd voor een nieuw onderwerp! De volgende blogserie staat in het teken van letters en cijfers. Wanneer schrijf je nu een c en wanneer een k? Waarom zijn zowel tijdverschil als tijdsverschil goed? En hoe zit dat met de n in pannenkoek? Je hebt toch maar één pan nodig? Wanneer mag je getallen voluit schrijven? Dat ga ik jullie allemaal de komende tijd vertellen.

Letterparen

Laten we beginnen met de letterparen c-k, f-v en s-z. Hoewel de meesten van ons wel weten wanneer je welke letter in welk woord gebruikt, kom ik bij Leef in tekst nog steeds af en toe electriciteit, fotograven en laarsen tegen. Vandaar toch deze korte opfriscursus!

C of k?

De c is een bijzondere letter. Soms spreken we het uit als een [s] en soms als een [k]. De ‘problemen’ treden vaak op bij de c-woorden met een [k]-uitspraak. Want het blijft een beetje raar: je spreekt iets anders uit dan je ziet staan. Hoe zit dat nu? De meeste woorden met een c zijn leenwoorden. Voor leenwoorden geldt over het algemeen de regel dat hoe bekender een leenwoord in het Nederlands is, hoe groter de kans dat het zich ook Nederlands gaat ‘gedragen’: de letter c – die je toch al als een [k] uitsprak – wordt de letter k. Zo kennen we nu oktober (was eerst october) en elektrisch (was eerst electrisch).

Maar het Nederlands zou het Nederlands niet zijn als er geen addertje onder het gras zat. Bij de woorddelen -act-, -ect-, -ict-, -oct-, -uct-, -caat, -catie en de voorvoegsels eco-, loco-, micro- en macro- behouden we de c, vandaar: product, insect, locatie (maar dus wel: lokaal), tractor en micro-organisme, ecobiologisch.

Sommige woorden leveren zelfs betekenisverschil op: een corps is een studentenvereniging en een korps is een troepeneenheid, muziekkorps of een lettergrootte; een criticus is kritisch, dat was een spectaculair spektakel.

De ‘regel’ dat een leenwoord zich Nederlands gaat gedragen en zelfs zijn spelling aanpast, gaat dus niet altijd op – maar het zou de oplettende lezer van mijn blog inmiddels niet meer moeten verbazen dat de Nederlandse taal graag de regeltjes negeert.

F of v?

De meeste woorden in het Nederlands die eindigen op een -f krijgen een -v in het meervoud: dief – dieven. Dit geldt echter niet voor woorden van Griekse herkomst, die behouden de -f. De meeste Griekse woorden zijn eenvoudig te herkennen: ze eindigen in het enkelvoud op -aaf of -ief: apocrief – apocriefen, cenotaaf – cenotafen. Functies op -graaf en -soof hanteren dezelfde regel: geograaf – geografen, antroposoof – antroposofen. (Dit geldt overigens niet voor een ‘adellijke’ graaf: burggraaf – burggraven).

S of z?

Bij woorden op een -s is in het meervoud net zo iets dergelijks aan de hand als bij woorden op een -f. De meeste woorden op een -s krijgen een -z in het meervoud: baas – bazen, hoes – hoezen. Je hoort duidelijk een z in de meervoudsvorm. Bij sommige woorden hoor je in het meervoud echter nog steeds een s. Als je de s nog duidelijk hoort, blijft de s behouden: lans – lansen, pols – polsen (maar dus wel: hals – halzen). In enkele gevallen zijn beide meervoudsvarianten goed, omdat beide varianten frequent voorkomen: saus – sausen/sauzen. Heel enkel is er duidelijk sprake van betekenisverschil: kruisen (paal met dwarshout) zijn geen kruizen (als muziekteken).

Zelfs op letterniveau zie je dat het Nederlands een lastige taal is. Leenwoorden passen zich aan op enkele uitzonderingsgevallen na, maar tot die laatste gevallen horen weer zo veel woorden dat de hoofdregel eigenlijk in het niets verdwijnt. En een regel die gebaseerd is op de uitspraak leidt ook vaak tot onduidelijkheid: een echte Hagenees zegt volgens mij geen bazen maar basen…

1 reactie

Opgeslagen onder hoofdlettergebruik, LEEF in tekst, leenwoorden, Nederlands, redactie, taal, taalverandering, tekstschrijver

Jij begrijpt je klant, maar begrijpt hij jou ook?

Stel je het volgende voor. Op een dag gaat de telefoon. Het is iemand die jouw website heeft gezien en die net problemen heeft op het gebied waar jij zo goed in bent. Hij wil graag een afspraak met je maken om te zien hoe jij hem kunt helpen, en hij vertelt er meteen bij dat hij ook nog gesprekken voert met twee of drie anderen. Je hebt dus concurrentie. Na een vreugdedansje op je werkplek bereid je je grondig voor: wie is hij, wat doet hij, hoe zou jij hem kunnen helpen met zijn probleem. De afspraak zelf verloopt vlot: jullie hebben meteen een klik, jij laat zien dat je zijn probleem helemaal begrijpt, vat het nog eens in eenvoudige woorden samen en vertelt hem wat jij voor hem kan betekenen. In zijn ogen meen je een zweem van opluchting te zien. Jullie spreken af dat je hem zo snel mogelijk een offerte stuurt. Op bijna amicale wijze nemen jullie afscheid en je gaat vol zelfvertrouwen naar huis. ‘Die is binnen’, denk je.

 

De offerte

Thuisgekomen gun je jezelf niet eens een kopje koffie, maar klim je meteen achter je pc en schrijf je je offerte. ‘Middels deze offerte doe ik u mijn voorstel toekomen. Ingevolge van de conversatie van 1 febuari jongstleden tussen offerteaanvrager en schrijver dezes is evident waar de crux ligt. Dienaangaande…’ En zo verder. Het was even zweten, maar uiteindelijk ligt er een echte officiële offerte. Je stuurt hem op en wacht af. Tot je grote verbazing gaat de opdracht naar een van je concurrenten…

 

Wat is er gebeurd?

Stel je nu eens de reactie voor van die potentiële klant/bijna-vriend. Hij begint vol verwachting jouw voorstel te lezen, maar nog voor hij aan het eind van de pagina is gekomen, heeft hij al barstende hoofdpijn. “Wat staat daar in godsnaam? Hebben wij daarover gesproken? Ik kan me het gesprek heel anders herinneren. Waar is die offerte van Jansen? Die zegt tenminste waar het op staat, dan kan ik er ook wel van uitgaan dat ik krijg wat ik verwacht. Toch wel jammer, het leek me zo’n sympathieke kerel – maar als ik zijn offerte al niet begrijp…”

 

Hoe het anders kan

Wat er is gebeurd, is volkomen begrijpelijk. Een offerte schrijven voelt officieel aan, dus glijd je automatisch in formeel Nederlands vol archaïsche uitdrukkingen, terwijl de gesprekken in normale spreektaal hebben plaatsgevonden. Een offerte schrijven is al moeilijk genoeg. Je moet het probleem van de aanvrager omschrijven, jouw oplossing verkopen en ook nog een voor alle partijen redelijk bedrag noemen. Ik geef een paar tips:

  1. Maak het ook voor jezelf eenvoudig en schrijf het op alsof jullie aan de keukentafel zitten. Geen archaïsche, formele uitdrukkingen en woorden als dienaangaande, betreffende, doen toekomen. We leven inmiddels in de 21e eeuw en het wordt nu echt tijd om ze te laten waar ze horen, namelijk een paar eeuwen terug.
  2. Kijk uit met vaktaal of jargon. Jij gebruikt die termen dagelijks, maar bedenk dat jouw potentiële klant veel minder van jouw vakgebied weet dan jij, dus hoe meer jargon jij erin stopt, hoe minder je klant je begrijpt, hoe kleiner de kans dat hij jou de opdracht gunt.
  3. Schrijf actief, niet passief. Ja, ik weet het: vaktaal, dus ik haal hiermee het eerste punt onderuit, maar ik zal het uitleggen. Een passieve constructie is bijvoorbeeld: “Het houtmateriaal wordt geleverd door Kruiwagen & Co. Het tuinhuisje wordt vervolgens in elkaar gezet door Tuinkabouter & Co, waarna het door Verfje Hier Verfje Daar in de kleuren blauw en wit wordt geschilderd.” De actieve variant lees heel anders: “Kruiwagen & Co levert het houtmateriaal en Tuinkabouter & Co zet het tuinhuisje voor u in elkaar. Daarna schildert Verfje Hier Verfje Daar het tuinhuisje in de vrolijke kleuren blauw en wit.” Beide varianten hebben hetzelfde resultaat: een blauw-wit tuinhuisje, maar het lijkt wel of het huisje in de tweede variant efficiënter en kordater in elkaar is gezet dan bij de eerste variant. Als je veel passieve constructies gebruikt, kan er een soort traagheid in de tekst – en dus de boodschap! – sluipen, die jij als actieve ondernemer natuurlijk wilt vermijden.

 

Deze drie tips zorgen voor een duidelijke offerte met een niet mis te verstane boodschap: jij bent dé persoon voor deze opdracht! Het is immers een goede weergave van het gesprek geworden: je hebt niet alleen de opdracht goed begrepen, maar je hebt ook de toon van het gesprek gehandhaafd en dat is voor de lezer een teken dat je zijn probleem begrijpt. Dat geeft hem weer het vertrouwen om jou zijn probleem te laten oplossen. Als afsluiter nog een laatste – maar wel cruciale – tip: laat de tekst een dag liggen en kijk er dan nog eens naar met mijn tips bij de hand. Je zult zien dat je nog heel veel zaken kunt verbeteren!

 

En geen nood: als je er niet uitkomt met de tekst van je offerte, Leef in tekst brengt teksten tot leven! Kijk voor meer informatie op www.leefintekst.nl.

1 reactie

Opgeslagen onder Nederlands, opdracht, opdrachtgever, redactie, startende ondernemers, tekstschrijver

De laatste loodjes

Je zou zeggen dat we nu toch wel klaar zijn met de hoofd- en kleine letters in het Nederlands, maar we zijn er nog niet helemaal. We hebben nu in vier delen de belangrijkste regels behandeld en we hebben gezien dat die regels nog niet zo gemakkelijk zijn. Het onderscheid tussen eigennaam en soortnaam speelt een grote rol, maar wanneer een eigennaam een soortnaam wordt, is vaak lastig aan te geven en dat heeft weer gevolgen voor het gebruik van hoofd- of kleine letters.

Dit laatste deel is gewijd aan een paar categorieën die nog niet aan bod zijn gekomen.

Losse letters

Soms komen de letters van het alfabet ook apart voor als los woord of als onderdeel van een samenstelling. Ook dan maken we onderscheid tussen hoofd- en kleine letter.

  • Hoofdletters gebruiken we in twee gevallen. 1. De vorm van die hoofdletter speelt een rol: O-benen, T-shirt, V-formatie; 2. Er is sprake van een classificatie, ordening of evaluatie: C-schijf, E-nummer, Y-chromosoom.
  • Kleine letters komen voor als de klank of de letter uit het alfabet zelf een rol speelt (dit noemen we ook wel de ‘zelfnoemfunctie’): van a tot z, de puntjes op de i, een x-aantal, de y-as.

Hemellichamen en sterrenbeelden

De zon, maan en de sterren krijgen een kleine letter (niets nieuws onder de zon hier), maar hemellichamen en sterrenbeelden worden als eigennaam beschouwd en krijgen daarom een hoofdletter: Melkweg, Boogschutter.

Dieren en planten

Soms zie je dieren- en plantennamen met een hoofdletter geschreven, maar het zijn toch echt soortnamen en dus schrijf je ze in het Nederlands met kleine letters. Hoofdletters komen alleen voor als:

  • er een aardrijkskundig bijvoeglijk naamwoord of de bezitsvorm van een persoon voor staat: Duitse herder, Temmincks strandloper;
  • je de Latijnse benaming gebruikt: Vulpes vulpes (en dan alleen bij het eerste woord).

Scheldwoorden en vloeken

Altijd kleine letters. Eindelijk eens iets wat makkelijk te onthouden is! Dat het nu net met deze categorie moet gebeuren… Een scheldwoord of een denigrerende uitdrukking voor iemand uit een bepaalde streek zijn vaak afleidingen: verdomme, tukker, kaaskop.

Duitse woorden

In Duitsland schrijf je zelfstandige naamwoorden altijd met een hoofdletter, maar zodra ze de grens overgaan naar ons, is de eigennaam-/soortnaamregel van toepassing en vervalt de hoofdletter vaak: schnitzel, fingerspitzengefühl. Alleen als het echt om een eigennaam gaat, blijft de hoofdletter behouden: Das Kapital, Kristallnacht.

Conclusie

Kortom: de regels rond het gebruik van hoofd- en kleine letters zijn goed bedoeld, maar soms zorgen ze voor meer verwarring dan duidelijkheid. In principe draait het om het onderscheid tussen eigennaam (hoofdletter) en soortnaam (kleine letter), maar wanneer wordt een eigennaam een soortnaam? Wie bepaalt of er iets genoeg ingeburgerd is om tot de soortnamen toegelaten worden? Bovendien worden soms soortnamen als eigennamen behandeld (Joost mag het weten) en eigennamen als soortnamen (ministerie van Buitenlandse Zaken).

Ik heb mijn best gedaan jullie de regels zo goed mogelijk uit te leggen; het zij jullie echter vergeven als jullie er nog steeds niet veel van begrijpen. Dat doe ik soms ook niet. Maar wees niet getreurd: hoewel ik de regels soms een beetje vreemd vind, ken ik ze wel en pas ik ze ook keurig toe – of ik het ermee eens ben of niet. Leef in tekst brengt teksten tot leven – en houdt de hoofd- en kleine letters een beetje in toom!

 

Geef een reactie

Opgeslagen onder hoofdlettergebruik, LEEF in tekst, Nederlands, redactie, taal, tekstschrijver

Afkortingen

Inmiddels heb je nu vast wel begrepen dat het gebruik van hoofdletters of kleine letters niet eenvoudig is. Maar we zijn er nog niet mee klaar: in deze blog vertel ik je meer over hoofdlettergebruik in afkortingen. Sinds de invoering van de nieuwe spelling in 2005 worden veel afkortingen met kleine letters geschreven in plaats van met hoofdletters, maar als redacteur kom ik deze nog regelmatig met hoofdletters tegen: *BTW, *CAO, *HAVO, om er maar een paar te noemen. De regel luidt dat afkortingen zo veel mogelijk met kleine letters worden geschreven, maar er zijn in de praktijk zo veel uitzonderingen, dat deze regel eigenlijk in het niets verdwijnt. De gedachte áchter die regel is dat die woorden inmiddels zo vaak zijn gebruikt dat ze zijn ‘ingeburgerd’, je kunt ze in een zin herkennen als een afkorting en ze hoeven daarom niet extra benadrukt te woorden (door ze bijvoorbeeld in hoofdletters te plaatsen waardoor ze meer opvallen).

Lees verder

Geef een reactie

Opgeslagen onder hoofdlettergebruik, LEEF in tekst, Nederlands, redactie, taal

Ken je plaats

In de laatste Volkskrant van 2011 stond een kort artikel over taal. Er werd onder andere gesproken over de invloed van de straattaal op het Nederlands en over de toename van Engelse leenwoorden in onze taal. Een interessante vraag: waarom nemen we bepaald ‘taalgedrag’ (bij gebrek aan een ander woord) van elkaar over? Volgens een taalkundige uit dat artikel is dat omdat we elkaar sympathieker gaan vinden als ons taalgebruik op elkaar lijkt. De communicatie verloopt soepeler, omdat we elkaar begrijpen – we spreken immers dezelfde taal? Lees verder

Geef een reactie

Opgeslagen onder LEEF in tekst, Nederlands, redactie, taal, taalverandering, tekstschrijver