In gesprek met de jeugd

‘Wablief?’

Verbaasd keek ik op van mijn boek. De laatste keer dat ik dat woord hoorde, was jaren geleden. Een man op leeftijd legde zijn hand achter zijn oor en zei: ‘Wablief?’ omdat hij het niet goed had verstaan. Daarvóór kende ik dat woord alleen uit boeken die zich nog voor de Tweede Wereldoorlog afspeelden.

De reden dat ik verbaasd opkeek uit mijn boek, was dat de stem die bij dat woord hoorde duidelijk niet van een man op leeftijd was, maar van een jongen. Ik keek uit het raam en geen bejaarde te bekennen: alleen kinderen van een jaar of 12, 14. Waar hebben die dat woord opgepikt?

 

Ik voel me oud

Een tijdje geleden zat ik in een bus vol met studenten. Ik luisterde stiekem naar het gesprek van de twee meisjes naast me. ‘Na de vakantie ga ik twee maanden naar Japan om te studeren, wist je dat al?’ ‘Echt?? Vet zieke shit, man, wow. Echt slecht dat je dat gaat doen.’ De gezichtsuitdrukking van dat meisje klopte niet helemaal bij de verontrustende woorden die ze uitsprak: ze was duidelijk blij voor haar vriendinnetje. En dat onderstreepte ze blijkbaar met vier woorden die in mijn ogen het tegenovergestelde zeiden van wat ze bedoelde: vet, ziek, shit en slecht. Het is te hopen dat het meisje dat naar Japan gaat, dat niet allemaal meemaakt.

Dit minigesprekje bevestigde wat ik al een tijdje voelde aankomen: ik word oud. Zelf stam ik uit de tijd dat we dingen nog cool, gaaf en tof vonden. Dan wisten je gesprekspartners tenminste dat je echt oprecht blij was. Maar die woorden zijn duidelijk uit de gratie. Nu wordt er van je verwacht dat je het tegenovergestelde zegt van wat je bedoelt: iets is niet meer cool, maar ziek. Als ik met die jongelui praat en ik gebruik woorden uit mijn eigen dinosaurusjeugd, dan kijken ze me meewarig aan, alsof de aftakeling al heeft ingezet. Terwijl ik nog maar halverwege de 30 ben.

 

Er is nog hoop. Het feit dat een woord als wablief, uit een tijd ver voordat ik geboren werd, nu in de 21e eeuw wordt gebezigd door jongeren die zelf in de 21e eeuw zijn geboren, doet me deugd. Er is toch nog waardering voor oude mensen.

Advertenties

Winkelmeisjes en kantinejuffrouwen

‘Als u het niet erg vindt, drink ik even mijn koffie op. Ik heb vandaag al zo veel kouwe koffie gehad.’

Meid, je doet maar. Geniet ervan, zou ik zeggen. Intussen worstel ik in het pashokje met een truitje dat duidelijk veel kleiner is dan de L die op het etiket staat.

De vrouw die zo naar haar hete koffie snakt, is de verkoopmedewerkster en staat alleen in de winkel. Eerder had ze al ijverig gevraagd of ze me ergens mee kon helpen, maar toen bleek dat ik eerst even wilde rondkijken, keerde ze opgelucht terug naar haar dampende koffie op de verkoopdesk. Arm mens. Als je alleen in de winkel staat en klanten moet helpen, kom je natuurlijk nooit aan je koffie toe.

Teleurstelling

Terwijl ik in het pashokje besloten heb dat het truitje toch echt niet voor mij gemaakt is, kletst het winkelmeisje door. ‘Ja, mijn baas wil eigenlijk niet dat ik koffie in de zaak drink, maar ja, hij is er toch niet, hè, en ik moet koffie hebben anders trek ik het gewoon niet het zijn zulke lange dagen en dan is het nog donderdag dus koopavond vanavond en dacht je dat ik pauze kreeg ja nee een halfuurtje meer kan er niet van af het is een echte slavendrijver die man niet normaal meer wat vindt u daar nou van?’ Als ik die baas was, had ik je op staande voet ontslagen, dacht ik wraakgierig en chagrijnig in mijn teleurstelling over dat te krappe truitje. Roddelen over mij met klanten, wat denk je wel niet? En ook nog koffie drinken terwijl ik je uitdrukkelijk heb gezegd dat ik dat niet wil hebben! Je spullen pakken kun je!

Maar dat zeg ik maar niet. Beleefd hang ik het veel te krappe truitje weer terug, wens haar een heerlijke koffie toe en vertrek.

Bron: https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/6/60/Hungarian_Antique_three-column_full-keyboard_cash_register_1902.jpg
Bron: https://upload.wikimedia.org/wikipedia/commons/6/60/Hungarian_Antique_three-column_full-keyboard_cash_register_1902.jpg

Vroeger

Ze doet me met haar geklets denken aan de kantinejuffrouw van de universiteit toen ik nog studeerde. Je studiedag begon en eindigde toen in de kantine. Daar werkte Anita, een vrouw van in de vijftig. Die kletste je de oren van het hoofd, zonder acht te slaan tegen wie ze aan het kletsen was. Als zij achter de kassa zat, stond er altijd een ellenlange rij te wachten. Dat kwam omdat ze hele verhalen vertelde, over de buurvrouw van de neef van haar man die toch zo’n enge ziekte had en geen dokter die haar hielp natuurlijk. Intussen deed ze gewoon haar werk, rekende af en ging door naar de volgende, maar zonder haar verhaal te onderbreken. Als je daar in de rij stond kreeg je dus altijd maar één aflevering van de soap mee, want soaps waren het wel. ‘Ja en toen zeg ik tegen mijn man ik zeg dat is toch niet normaal meer zeg ik?! Die vrouw ligt daar te … Dat is dan 5,65. En 35 cent terug.’ En door naar de volgende. ‘… creperen en niemand die haar helpt! Wat is dat toch met die mensen tegenwoordig. Dus ik zeg je moet eens naar …  2,50 Ja bedankt …  Jomanda. Die heeft van dat water dat schijnt heel goed te zijn ze straalt het in met iets van God of zo ja zelf geloof … Ja daar heb ik niet veel aan. Ik doe niet aan kortingen. Als je vijf cent tekortkomt heb je pech gehad … ik niet in God maar als ik zo ziek was als haar zou ik toch anders gaan denken. En zij erheen en wat denk je …? Loop eens even door, er zijn er meer die dorst hebben …’ En zo maar door. Een fenomeen was het.

Ze haalde ook altijd de lege kopjes op. Dan moest je echt oppassen, want als je nog een bodempje koffie had, was voor haar het kopje leeg en nam ze het mee. Je moest echt je kopje stevig vasthouden, want ze was in staat het uit je handen te rukken. Eerstejaars kon je zo herkennen als zij langs was geweest met haar karretje: de volkomen verblufte blik van ‘maar die was nog niet leeg!’.

Die Anita. Ze moet inmiddels met pensioen zijn, maar ze was geliefd bij de hele universiteit. Omdat ze zo haar eigen manieren had. Heel soms zie ik nog iets van Berta in andere winkelmeisjes en kantinejuffrouwen. Stiekem even genieten.

Bebrilde hoofden

Je ziet het regelmatig. Zodra een zekere leeftijd angstwekkend snel dichterbij komt, moeten zij er ook aan geloven. Gelukkig zijn die dingen niet zo duur, met een paar euro ben je bij de eerste de beste drogist al klaar. Dat scheelt. Die dure dokter kan nog wel even wachten.

Toch wel even wennen, dat vermaledijde ding. Maar ze hebben het wel nodig, want zodra ze iets moeten lezen, worden ze er weer pijnlijk aan herinnerd dat ze ouder worden. Gelukkig lezen ze niet zo veel en kunnen ze het ding gemakkelijk ergens kwijt waar ze het niet zullen vergeten (ook al zo’n ouderdomskwaaltje).

Waar? Op hun voorhoofd natuurlijk.

Ik heb het over mannen die de vijftig gepasseerd zijn, met de eerste grijze haren op hun hoofd en de eerste rimpels in hun gezicht. Mannen die last beginnen te krijgen van de ouderdom: niet alleen wat hun uiterlijk betreft, maar ook lichamelijke kwaaltjes zoals ogen die achteruitgaan. Ze stellen het lang uit, maar gaan dan toch maar naar de drogist aan de andere kant van de stad – ze zouden de buren eens tegenkomen – en kopen een brilletje van 2 euro. Of ze laten het hun vrouw doen.


Image: NIck Costopoulos

Toegegeven, het leest wel makkelijker. De letters dansen niet meer zo en hun hoofdpijn is opeens stukken minder geworden. Maar die bril, die bril. Ze kunnen er maar niet aan wennen. Het is toch een duidelijk teken van aftakeling en ze kunnen het niet uitstaan dat ze steeds tegen de randen van dat ding aan zitten te kijken als ze niet hoeven te lezen. Dus parkeren ze het dan ergens anders.

Waar? Op hun voorhoofd natuurlijk.

Zouden ze dan echt niet door hebben dat dat geen gezicht is? Zo’n bril op je voorhoofd met die rimpels erachter en de ogen eronder? Sommigen doen het zo vaak dat ze op hun voorhoofd twee kleine verticale gleufjes hebben waar de neusvleugels van hun bril precies inpassen. Weten ze dan niet dat ze er zo niet alleen oud, maar ook nog eens seniel uitzien?

Blijkbaar niet.

Arme stakkers. Ze worden oud, maar willen het niet toegeven. Hartfalen, slechte ogen, doofheid, artrose en dementie liggen al op de loer, maar ze zullen het met hand en tand bestrijden. Te beginnen met een leesbrilletje van 2 euro om de slechte ogen tegen te gaan. Want zo erg is het toch niet? De meeste tijd hebben ze dat ding niet eens nodig!

Nee, inderdaad. Dat is te zien.

Lieve mannen, wees niet bang, je reputatie van stoere, sterke kerel in de bloei van zijn leven is nog lang niet voorbij als je een bril moet dragen. Kijk maar naar de vrouwen. Die weten dat dat leesbrilletje niet genoeg is en gaan meteen voor een kekke, stoere bril. Die ze de hele tijd op hun neus houden. Want zij hebben wel door dat ouder worden niet meteen hoeft te betekenen dat je er dan ook maar seniel moet uitzien. Met je bril op je voorhoofd en dan vervolgens vergeten waar je hem gelaten hebt. Wees verstandig, koop een echte, goede bril. En houd hem waar hij hoort.

Op je neus.

Tijdspieken

Je ziet het wel vaker: mensen die strak voor zich uit staren, met hun hoofd leunend op de ene schouder en de kin naar voren. Dan draaien ze hun hoofd op de andere schouder, en dan weer terug – met een pijnlijk gezicht omdat ze een spiertje in hun nek overstrekt hebben. Waarom toch die capriolen? Nou, ze willen weten hoe laat het is. En ze zijn hun horloge vergeten. Dus zijn ze afhankelijk van de welwillendheid van andere mensen om een horloge te dragen.

Daar houdt die welwillendheid echter vaak op. Want het horloge is nog wel te zien, maar de wijzerplaat vaak niet. Die is meestal net buiten het blikveld van de niet-horlogedrager die wil weten hoe laat het is. Dus draait en draait hij zijn hoofd om de tijd te kunnen lezen op het horloge van de ander. Soms slaagt de niet-horlogedrager in zijn opzet en keert hij met een tevreden blik terug naar waar hij mee bezig was. Of de schrik slaat hem om het hart als hij erachterkomt dat hij al te laat is: dan gaat hij er halsoverkop vandoor. Soms ook leiden die capriolen tot niets: hoe de niet-horlogedrager ook draait en draait met zijn hoofd, de wijzerplaat is ver buiten bereik.

Waarom vraagt hij niet gewoon hoe laat het is, zou je denken. Maar nee, dat kan niet. Dat hoort niet bij de sport. Het gaat er juist om dat je zo onopvallend mogelijk op het horloge van de horlogedrager kijkt. Daarbij negeer je natuurlijk de verwarde blikken van je omgeving die niet snapt waarom je zo raar met je hoofd doet. Soms is er dan zo’n slimmerd die vraagt: ‘Wil je weten hoe laat het is of zo? Dat mag je best vragen hoor. Het is zes uur.’ Flauwerik. Nou is het spelletje verpest.


Image: Anastasia Tim

De beste horloges om de tijd op af te kijken zijn horloges met een lekker grote wijzerplaat, liefst zwarte cijfers op een witte achtergrond. Witte cijfers op een zwarte achtergrond mag eventueel ook. Maar het moet wel een flinke wijzerplaat zijn. Sommige vrouwen dragen zo’n elegant, slank horloge met een rechthoekige glanzende wijzerplaat waarop alleen de wijzers zichtbaar zijn. Ja, en die lullige kleine streepjes voor de 6 en de 12 – als je mazzel hebt hebben de ontwerpers ook aan een ministreepje voor de 3 en de 9 gedacht. Daar heb je dus helemaal niets aan als tijdspieker. Vergeet die streepjes dus maar. En die wijzers zijn uiteraard net zo elegant en slank als het horloge zelf – absoluut onzichtbaar. Als je als tijdspieker zo’n prachtig, waardeloos horloge ziet, kun je je de moeite besparen. Je komt er toch niet achter hoe laat het is op zo’n ding.

Hoe ik dat allemaal weet? Inderdaad, ik ben ook zo’n niet-horlogedrager. Het heeft me heel wat zere nekken gekost, ik ben ook heel vaak te laat gekomen op afspraken en ik heb heel wat tijd verspild met het staren naar een elegant dameshorloge. Wat mijn omgeving inmiddels van mijn staargedrag vindt, wil ik liever niet weten. Maar nu ben ik wel een volleerd tijdspieker. Weet iemand toevallig hoe laat het is?

Vespa

Wat staat hij er toch mooi bij. Stralend, glimmend en glanzend, geen krasje te zien. Het grijze, leren zadel staat perfect bij het strakke, zwartgelakte frame. Je kunt de lak bijna ruiken. Het chroom is blinkend gepoetst, zo glad als een spiegel. Het windscherm is schoongeboend tot er geen vlekje, geen smetje meer op te zien is en ziet er nu puntgaaf uit.

Trots staat de Vespa te pronken op de Grote Markt, onder een straatlantaarn die zijn felle licht genadeloos op de scooter laat schijnen. Des te beter, daar wordt hij alleen maar mooier van.


Image: Augusto Acero

Bij de Vespa staan twee mannen. De ene man is halverwege de vijftig, kalend, leesbril geplakt tegen het voorhoofd. Hij heeft zijn nepleren jas dapper over zijn bollende buik dichtgeritst, alsof de jaren gevuld met bier en ongezond eten nooit hebben plaatsgevonden. Dat mag niet baten: de jas staat gevaarlijk strak. Het lijkt alsof de rits elk moment kan knappen, waarbij de tandjes ongetwijfeld alle kanten op zullen springen. Zijn broek heeft het al opgegeven. Die probeert zich manmoedig onder de buik vast te klemmen om te voorkomen dat hij onverrichterzake naar beneden glijdt, boven op de afgetrapte schoenen.

De andere man is zo’n tien jaar jonger, met dik golvend, zwart haar dat achterover gekamd is en op zijn plek gehouden wordt door een sportieve zonnebril. Ook hij heeft een zwart leren jack aan, die zonder enige moeite over de strakke buik zit dichtgeritst, maar waarbij de schoudernaden duidelijk hun best moeten doen om te blijven zitten. Deze meneer gaat overduidelijk vaker naar de sportschool.

Man 2 heeft al een paar rondjes om de Vespa gelopen. Keurend, kijkend, peinzend. Af en toe buigt hij zich voorover, inspecteert de wielen. Kijkt in het spiegelende chroom, likt aan zijn vinger en wrijft over zijn wenkbrauw, komt weer overeind. Loopt naar de achterkant van de Vespa, buigt voorover, tikt wantrouwend tegen het achterlicht, komt weer overeind.

Hij vraagt iets aan zijn metgezel. Die staat al een tijdje te wachten, handen in de zakken, buik gelaten vooruitgestoken. Nu haalt hij zijn schouders op, handen nog steeds in de zakken, zegt iets tegen de jongere man. Ze praten een tijdje.

Het volgende ogenblik staat de Vespa moederziel alleen. Verlaten, in de steek gelaten, eenzaam. Hij glimt, blinkt, straalt en doet zijn best in het genadeloze licht van de straatlantaarn op de Grote Markt. De naderende nachtvorst trekt een huivering over het zwarte frame en spiegelend witte chroom.

Een keuken vol herinneringen aan Rusland

Als je meer wilt begrijpen van de leef- en denkwereld van een Rus, lees dan Mastering the Art of Soviet Cooking. A Memoir of Food and Longing van Anya von Bremzen (Engelstalig, te bestellen via bol.com). Dit boek beschrijft honderd jaar Russische geschiedenis, van 1910 tot 2010. Het is niet een droge opsomming van feiten en analyses, integendeel. Het is de familiegeschiedenis van Von Bremzen aan de hand van gerechten uit de Russische keuken die met haar ‘meegereisd’ zijn van Rusland naar het westen.

Elk hoofdstuk behandelt een decennium, bijvoorbeeld 1980-1990. In dat decennium staat een gerecht centraal, zoals de bekende borsjtsj (борщ, bietensoep). De schrijfster vertelt anekdotes waarin dat gerecht een rol speelt, bijvoorbeeld de vettige soep van de morsige Sovjetkantines uit haar jeugd of de verfrissende koude borsjstj die in de zomer op de datsja (zomerhuisje op het platteland) met verse groenten uit de moestuin werd klaargemaakt. En niet te vergeten de ‘echte’ borsjtsj uit Oekraïne, waar de familie van de schrijfster oorspronkelijk vandaan komt. Zo leren we de familie goed kennen en krijgen we een boeiend inkijkje in het Russische leven. Het boek is zo geschreven dat je bij wijze van spreken naast ze in de rij staat voor het brood, dat je net zo handig bent op de zwarte markt als zij, dat je die heerlijk frisse koude borsjtsj door je buik voelt glijden terwijl je met je voeten in het water van het meertje speelt en de zon op je hoofd voelt branden.

20150929 beeld

Een minpuntje is wel de overdreven (Amerikaanse) schrijfstijl. Dat kun je natuurlijk verwachten van een schrijfster die al jaren in Amerika woont. Een zin is bij haar blijkbaar niet compleet zonder minstens zes bijvoeglijke naamwoorden, waardoor de tekst voor de nuchtere Hollandse lezer vaak behoorlijk uit de bocht vliegt. Aan de ene kant zijn die beschrijvingen vaak wel raak getypeerd: bijvoorbeeld de nieuwe Russinnen in hun 20 cm hoge knalroze stilettohakken, minuscule rokjes en net niet blote Gucci-shirtjes tegenover de baboesjka’s die liefdeloos worden omschreven als ‘nijlpaarden met oranje geverfd haar’ – ik heb ze gezien in Sint-Petersburg en Moskou, ze bestaan echt. Het boek zit echter vol met passages als ‘Following a short cold spell, Saturday’s weather was heartbreakingly lovely. Sun beamed on the lipstick-red tulips and dressy white lilies at the Pushkin Square flower beds.’ Op zich een kleurrijke omschrijving, maar pagina na pagina met dergelijke taal laat af en toe een mierzoete kauwgumsmaak achter in de mond van de lezer. Dat doet wel een beetje onrecht aan de Russische keuken.

De ondertitel, A Memoir of Food and Longing, had niet beter gekozen kunnen worden. Von Bremzen is als kind opgegroeid in de Sovjet-Unie en verhuisde in de jaren zeventig naar Amerika. Ze kent dus zowel de Russische als de westerse manier van leven en slaagt erin het typisch Russische zo te omschrijven dat het heel herkenbaar wordt voor de westerling – zo slaat ze een brug tussen twee werelden.

Toska

Toská (тоска) is een woord dat alleen Russen begrijpen (zeggen ze). Het woord longing uit de ondertitel komt daar nog het dichtst bij in de buurt. Toska is een combinatie van verlangen, verdriet, lijden maar ook een acceptatie dat wat eens was, nooit meer zal zijn. En tegelijk koppig blijven verlangen en geloven dat het ooit toch weer zo zal worden. En belangrijk: vooral de ander niet laten merken dat je toska ervaart: de Russische beer staat altijd fier rechtop. Herkenbaar, vind je niet?

Anya von Bremzen kent die toska door en door. Opgegroeid in de Sovjet-Unie en in Amerika, later teruggekeerd naar het ‘nieuwe’ Rusland – ze houdt van alle drie en verlangt naar alle drie. Ze zal nooit in alle drie tegelijk kunnen leven, daarvoor is ze te westers / Russisch / Amerikaans. Haar keuken is de enige plek waar ze alle drie tegelijkertijd kan ervaren: een keuken vol herinneringen.

Met je volle aandacht genieten

Sporten is mij niet bepaald op het lijf geschreven. Begrijp me niet verkeerd: ik heb al van alles geprobeerd. Toen ik een jaar of tien, twaalf was zat ik als enige meisje op judo. Ik kwam niet verder dan de gele band met twee oranje ‘slippen’ of hoe die stukjes oranje stof op mijn gele band ook heten mogen. Toen bleek dat de jongens te sterk voor me werden en haakte ik af. Ook gymnastiek heb ik geprobeerd, maar ik viel steeds van de balk en ik slaagde er niet in me om de hoge legger van de brug te slingeren. Daarna badminton maar eens proberen, maar mijn tegenstanders hadden al vlug door dat ik snel buiten adem raakte en lieten me alle hoeken van het veld zien. Bovendien sloeg ik verontrustend vaak in het net in plaats van erover. De diagnose ‘inspanningsastma’ bevrijdde me van het uitproberen van nog meer duursporten en voorkwam vele blamages op dat gebied.

Na mijn studie heb ik nog een tijd op yoga gezeten, maar ook dat bleek geen succes. De ruimte waarin we yoga beoefenden, was vaak koud, waardoor ik kramp kreeg in mijn tenen en voeten. Dus ik moest me steeds uit zo’n houding vouwen om de kramp eruit te wrijven of sokken aan te trekken. En sokken waren weer niet handig omdat je dan uitgleed op de gladde vloer.

Ik had me er al mee verzoend dat ik langzaam zou dichtslibben (want voor diëten ben ik ook al niet in de wieg gelegd) en dat mijn conditie mijn leven lang maar zo-zo zou blijven. Tot ik tai ji ontdekte.

Tai ji

Tai ji is een Chinese bewegingskunst. Voor mij staat dat gelijk aan sport. Je voert een serie bewegingen uit, die samen een bepaalde ‘vorm’ opleveren. Zo heb je een Yang 24-vorm en een Yang 37-vorm. De afzonderlijke bewegingen van zo’n vorm (ja, het klinkt een beetje ingewikkeld, maar zo heet het nu eenmaal) zijn in het begin lastig te leren, omdat je handen, voeten, armen, benen, middel en hoofd allemaal totaal iets anders doen. Een hele uitdaging voor je coördinatie, kan ik je vertellen. Maar doordat je zo moet opletten op wat al die ledematen doen, ben je heel erg geconcentreerd bezig en denk je niet aan wat er die dag allemaal gebeurd is en wat je de volgende dag moet doen. Je ontspant je door je in te spannen. Als je zo’n vorm eenmaal een beetje kent (ik doe het nu al een jaar of drie), ga je de diepte in en dan blijkt dat je de vorm kunt aanpassen aan het ritme van je ademhaling. Bij een inademing doe je de ene beweging, bij een uitademing de volgende en zo verder. Dat werkt zo mogelijk nog ontspannender.

Image: Mark Bolton
Tai ji is mij wél op het lijf geschreven: ik blijf constant in beweging (dus geen kramp) en de vorm gaat zo langzaam dat mijn astma lekker door blijft slapen. Bovendien pik ik als talenliefhebber ook nog Chinees op: tai ji quan, deng jong, qi cong, dan tijan (daar heb je er drie van), draken-daojan en zo meer. Geen idee wat ze betekenen trouwens. Ook de bewegingen zelf hebben prachtige namen: ‘grijp de mus bij zijn staart’, ‘de kraanvogel spreidt zijn vleugels’, ‘bespeel de luit’, … Bovendien zit er bij de kraanvogel-beweging nog een bekend filmelement in: dat is die beweging die iedereen kent uit Karate Kid, waarbij hij op 1 been staat met hoog gespreide armen en de handen in een hoek naar beneden. Je voelt je even een filmster.

Focus

De docent is een jonge vent die zich echt verdiept in de materie, maar wel met een nuchtere Hollandse kijk op de dingen. Ik had eerder al een proefles tai ji gevolgd bij een ander, waarbij de toenmalige docent enthousiast uitriep dat we bij de beweging ‘de tijger sluipt door het bos’ ook echt moesten blazen als een tijger. Dan heeft sluipen ook niet veel zin als je je komst door geblaas kenbaar maakt, dacht ik en ik besloot toen om niet verder te gaan.

De docent die ik nu heb, doet dat soort dingen gelukkig niet. Het enige dat hij van je eist is dat je er met je volle aandacht bij bent. Hij is erg van de herhaling, waarbij je dezelfde beweging ontelbare malen achter elkaar uitvoert. In het begin is dat erg eentonig en ook best een aanslag op je spieren en je uithoudingsvermogen omdat je de hele tijd met gebogen knieën staat. Maar dan merk je zelf dat je soepeler wordt en dat de beweging vloeiender wordt. Je volle aandacht erbij houden helpt dus, je wordt er beter van en daardoor kun je nog meer genieten van tai ji.

Helaas is mijn docent gestopt omdat hij het niet kan combineren met zijn reguliere baan. Met mijn volle aandacht genieten van mijn vrije maandagavond voelt wel anders.