Een Groninger met een amsterdammertje

Je kennis over het verschil tussen soortnaam en eigennaam in de Nederlandse taal is inmiddels al flink bijgespijkerd. Je weet nu wanneer je Joost of joost moet schrijven en ook de ministers en hun Mercedessen hebben geen geheimen meer voor je. Toch ben je er nog niet. Wat te denken bijvoorbeeld van plaatsnamen, feestdagen en talen? Ook hierin zie ik in mijn werk als Leef in tekst nog genoeg fouten. Tijd om jullie een lesje te leren!

 Aardrijkskundige namen

Werelddelen, landen, steden, wijken, straten – het zijn allemaal unieke gebieden, dus eigennamen, dus een hoofdletter. Dat mag geen verrassing meer zijn. Ook hun afleidingen en samenstellingen krijgen een hoofdletter: Groningen, Gronings, Oost-Groningen; en een voorvoegsel verandert niets aan het feit dat het nog steeds een eigennaam blijft: oer-Gronings. Inwoners van landen, streken, steden krijgen een hoofdletter (Groninger) en rasaanduidingen of een verzamelnaam voor meerdere volkeren zijn soortnamen, dus: kleine letter (indiaan, nomade).

Lekker makkelijk, of niet? De soortnamen die zijn afgeleid van deze aardrijkskundige eigennamen krijgen – zoals het hoort zou je denken – een kleine letter, denk maar eens aan dat biertje dat je op vrijdagavond in de kroeg bestelt: doe mij maar een amsterdammertje. Sommige soortnamen krijgen echter wel een hoofdletter: Engelse drop, Belgische bieren. Je kunt ze namelijk nog steeds verbinden aan het geografische gebied van herkomst, ook al kun je ze allang in Nederland kopen. Aldus de officiële verklaring.

Windrichtingen krijgen over het algemeen een kleine letter: het westen, het zuidwesten. Er wordt geen specifiek aardrijkskundig gebied mee aangeduid, dus kun je ze beschouwen als een soortnaam. Sommige streken dragen echter een windrichting in hun naam omdat ze meerdere landen/streken omvatten: het Wilde Westen in de VS, het Midden-Oosten voor de Arabische wereld, het Verre Oosten voor China en Japan. En het Westen als daarmee de Westerse wereld wordt aangeduid: de VS en Europa, grofweg. Het is dan een aardrijkskundige naam geworden, dus een eigennaam.

Echter niet volgens de Van Dale: die blijft het westen consequent met een kleine letter schrijven – en daar kan ik me eigenlijk wel in vinden. Ten slotte gaat het om de politieke, culturele en economische betrekkingen; dat ze toevallig op het westelijke gedeelte van de aardbol zitten, zou er niets mee te maken moeten hebben. Bovendien: India en China zijn nu in opkomst en het duurt niet lang of we moeten er serieus over gaan nadenken of ze ook niet bij het ‘westen’ gaan horen, ook al liggen ze een beetje uit de buurt… De grenzen liggen niet echt vast: Italië en Griekenland behoren weliswaar tot de westerse (Westerse?) wereld, maar zijn veel armer dan Nederland of Duitsland. Persoonlijk neig ik ertoe ‘westers’ in dit geval als soortnaam te beschouwen op basis van politieke, economische en culturele betrekkingen. Wat vinden jullie?

 

Religies en levenbeschouwingen

Stromingen en hun aanhangers (en andere woorden die afgeleiden zijn) krijgen allemaal een kleine letter: een hindoe is een aanhanger van het hindoeïsme. En hoewel ‘rooms’ in rooms-katholiek afkomstig is van Romeins, is de connectie daarmee tegenwoordig helemaal verdwenen en wordt het beschouwd als een soortnaam. Sommige religies horen bij een bepaald geografisch gebied, dan komt er wel een hoofdletter: Russisch-orthodox.

Bij jood/Jood zit er zoals bekend een addertje onder het gras. Het kan namelijk slaan op een aanhanger van een religie en op iemand die tot een bepaald volk behoort. Volkeren krijgen een hoofdletter (want ze zijn verbonden met een geografisch gebied) en aanhangers van de religie krijgen een kleine letter. Je moet dus goed weten welke jood/Jood bedoeld wordt.

 

Feestdagen, historische gebeurtenissen en tijdperken

Officiële feestdagen worden als uniek beschouwd en hebben daarom hun eigen officiële naam met … inderdaad, een hoofdletter: Kerstmis, Nieuwjaar, Pasen. In de volksmond echter worden ze weleens wat informeler aangeduid, en omdat het dan niet om de officiële benaming gaat, krijgen ze een kleine letter: kerst en kerstfeest, oud en nieuw, eerste paasdag.

Althans: volgens het Groene Boekje. De witte spelling gaat er iets soepeler mee om: ten slotte slaat eerste paasdag maar op één dag in het jaar. Het blijft een unieke dag, dus kan het ook best met hoofdletters: Eerste Paasdag, Kerst. (Let wel: het gaat alleen om woordvormen die de feestdag zélf aanduiden. Andere samenstellingen krijgen wel een kleine letter, want dat zijn meer soortnamen: kerstdiner, nieuwjaarsreceptie.)

Ook bij historische gebeurtenissen zie je iets dergelijks. Als het om een vastomlijnde gebeurtenis gaat die je min of meer in een tijdsraam kunt plaatsen, is het uniek: Tweede Wereldoorlog, Watersnoodramp, Hongerwinter. Gebeurtenissen die regelmatig terugkwamen en dus niet uniek waren, zijn soortnamen: kruistocht, volksverhuizing.

Dagen en maanden worden altijd met kleine letters geschreven, maar bij de ‘iets langere’ tijdperken als de Gouden Eeuw, de oudheid, de middeleeuwen zie je zowel kleine letters als hoofdletters. Het Groene Boekje geeft als reden dat in vakteksten zo’n tijdperk vaak als eigennaam wordt opgevat: Oudheid, Middeleeuwen. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de soortnaam: dergelijke tijdperken omvatten vaak vele eeuwen, waarbij de grens niet altijd meer duidelijk is.

 

Je ziet: taal is vaak onderhevig aan de interpretatie van de gebruiker. Wanneer is het nu een eigennaam en wanneer een soortnaam? Als er duidelijke grenzen aan te geven zijn (persoonsnaam, naam van een bedrijf, land), hebben we te maken met eigennamen en dus hoofdletters. Op een gegeven moment vervagen veel grenzen echter en de vraag wordt dan: wanneer bepaal je of iets een eigennaam blijft of een soortnaam wordt? Een vraag waar niemand eigenlijk nog een antwoord op gevonden heeft.

 

Advertenties

Over ministers en Mercedessen

In de vorige blog hebben we kennisgemaakt met het verschil tussen een soortnaam en een eigennaam. Een eigennaam is iets unieks en verwijst maar naar één persoon, zaak of merk (wat dan weer wel verschillende producten kent, denk maar aan alle schilderijen van Rembrandt); een soortnaam verwijst niet specifiek naar één unieke zaak en krijgt dus een kleine letter. In deze blogpost ga ik wat dieper in op producten, instellingen, organisaties en andere zaken.

Eigennaam of soortnaam?

We hebben dus geleerd dat eigennamen naar iets unieks verwijzen en soortnamen naar iets algemeens. Dit kunnen we eigenlijk vrijwel overal toepassen: de burgemeester en wethouders werken in het gemeentehuis, maar de ministers (oftewel het parlement) zitten vaak in de Tweede Kamer (want er is maar één Tweede Kamer in Nederland) en de minister-president heeft een eigen Torentje in Den Haag (inmiddels een begrip geworden). Bij de ministeries zien we een combinatie van hoofd- en kleine letter: er zijn meerdere ministers en ministeries, dus die schrijf je met een kleine letter; en er is maar één ministerie van Buitenlandse Zaken, van Defensie, enzovoort. Dus alleen het deel dat uniek is, krijgt een hoofdletter. (Althans: zo staat het in de Van Dale en in het Witte Boekje; het Groene Boekje geeft er geen uitsluitsel over en Renkema – auteur van de onder redacteuren en tekstschrijvers befaamde Schrijfwijzer – geeft de voorkeur aan Ministerie, maar wel weer minister. Je kunt dus weinig fout doen!)

Bedrijven en organisaties, producten en merken

Bedrijven en organisaties zijn uniek, ook al hebben ze meerdere vestigingen; bovendien hebben sommige voor een afwijkende schrijfwijze gekozen. In de regel neem je hun schrijfwijze over. Merknamen krijgen een hoofdletter: Coca-Cola, Mercedes. Als een merk echter lange tijd in gebruik is, zien mensen het niet meer als een merk, maar als een product en krijgt het dus een kleine letter: maggi, aspirientje.

Opleidingen en afdelingen

Ook hier geldt: de meeste opleidingen zijn algemeen bekend en vallen daarom onder soortnamen, dus kleine letter: hbo bedrijfskunde, havo, studie rechten. Als een opleiding toch wel als uniek beschouwd wordt, krijgt het een hoofdletter: Integrale Veiligheidskunde. Het instituut dat de opleiding verzorgt, is een organisatie en dus neem je hun schrijfwijze over.

Afdelingen echter krijgen een hoofdletter: afdeling Communicatie, afdeling Personeelszaken. Persoonlijk vind ik dit in tegenspraak met de regel voor opleidingen: er zijn meerdere opleidingen bedrijfskunde en ook meerdere afdelingen communicatie. Zou je communicatie dan ook niet met kleine letter schrijven? Blijkbaar niet.

Publicaties

Titels van films, boeken, tv- en radio-programma’s en liedjes zijn uniek, dus een eigennaam, dus een hoofdletter. Je ziet vaak dat Engelstalige titels bijna elk woord een hoofdletter geven: With Or Without You. Dat mag, je neemt dan gewoon de schrijfwijze van een unieke eigennaam over. Persoonlijk vind ik deze schrijfwijze erg onrustig en lichtelijk hysterisch overkomen, vooral bij lange titels: Het Leidt De Aandacht Af Van De Inhoud Van De Publicatie En Je Ziet Alleen Maar Een Schreeuwerige Titel, terwijl kleine letters je laten focussen op de inhoud. Gelukkig hebben de meeste Nederlandstalige titels alleen aan het begin een hoofdletter: Als het vuur gedoofd is.

Kranten, tijdschriften, omroepen en dergelijke worden vaak als organisaties beschouwd en … je raadt het al: neem de schrijfwijze over die de organisatie zelf hanteert. Wetten worden ook gepubliceerd en worden eigenlijk op dezelfde manier geschreven als Nederlandstalige titels: Wet arbeidsongeschiktheid.

Je ziet: ook hier is het niet altijd even duidelijk of het nu om een eigennaam of om een soortnaam gaat, net zoals we vorige week zagen met jet, sarah en Joost. Regels die duidelijk genoeg zijn, worden binnen het Nederlands zelf niet altijd even consequent toegepast, kijk maar naar de ministeries en de afdelingen. Je moet echt op de hoogte zijn van alle regels én hun uitzonderingen – en dat zijn er nogal wat. Het is dan ook niet voor niets dat vaak wordt aangeraden om je teksten te laten schrijven of te laten nakijken door een professional (zoals Leef in tekst bijvoorbeeld)! Volg die raad op, je loopt de minste kans op fouten en je maakt ook nog eens een professionele (want: zorgvuldig) indruk op je (potentiële) klant.