Een keuken vol herinneringen aan Rusland

Als je meer wilt begrijpen van de leef- en denkwereld van een Rus, lees dan Mastering the Art of Soviet Cooking. A Memoir of Food and Longing van Anya von Bremzen (Engelstalig, te bestellen via bol.com). Dit boek beschrijft honderd jaar Russische geschiedenis, van 1910 tot 2010. Het is niet een droge opsomming van feiten en analyses, integendeel. Het is de familiegeschiedenis van Von Bremzen aan de hand van gerechten uit de Russische keuken die met haar ‘meegereisd’ zijn van Rusland naar het westen.

Elk hoofdstuk behandelt een decennium, bijvoorbeeld 1980-1990. In dat decennium staat een gerecht centraal, zoals de bekende borsjtsj (борщ, bietensoep). De schrijfster vertelt anekdotes waarin dat gerecht een rol speelt, bijvoorbeeld de vettige soep van de morsige Sovjetkantines uit haar jeugd of de verfrissende koude borsjstj die in de zomer op de datsja (zomerhuisje op het platteland) met verse groenten uit de moestuin werd klaargemaakt. En niet te vergeten de ‘echte’ borsjtsj uit Oekraïne, waar de familie van de schrijfster oorspronkelijk vandaan komt. Zo leren we de familie goed kennen en krijgen we een boeiend inkijkje in het Russische leven. Het boek is zo geschreven dat je bij wijze van spreken naast ze in de rij staat voor het brood, dat je net zo handig bent op de zwarte markt als zij, dat je die heerlijk frisse koude borsjtsj door je buik voelt glijden terwijl je met je voeten in het water van het meertje speelt en de zon op je hoofd voelt branden.

20150929 beeld

Een minpuntje is wel de overdreven (Amerikaanse) schrijfstijl. Dat kun je natuurlijk verwachten van een schrijfster die al jaren in Amerika woont. Een zin is bij haar blijkbaar niet compleet zonder minstens zes bijvoeglijke naamwoorden, waardoor de tekst voor de nuchtere Hollandse lezer vaak behoorlijk uit de bocht vliegt. Aan de ene kant zijn die beschrijvingen vaak wel raak getypeerd: bijvoorbeeld de nieuwe Russinnen in hun 20 cm hoge knalroze stilettohakken, minuscule rokjes en net niet blote Gucci-shirtjes tegenover de baboesjka’s die liefdeloos worden omschreven als ‘nijlpaarden met oranje geverfd haar’ – ik heb ze gezien in Sint-Petersburg en Moskou, ze bestaan echt. Het boek zit echter vol met passages als ‘Following a short cold spell, Saturday’s weather was heartbreakingly lovely. Sun beamed on the lipstick-red tulips and dressy white lilies at the Pushkin Square flower beds.’ Op zich een kleurrijke omschrijving, maar pagina na pagina met dergelijke taal laat af en toe een mierzoete kauwgumsmaak achter in de mond van de lezer. Dat doet wel een beetje onrecht aan de Russische keuken.

De ondertitel, A Memoir of Food and Longing, had niet beter gekozen kunnen worden. Von Bremzen is als kind opgegroeid in de Sovjet-Unie en verhuisde in de jaren zeventig naar Amerika. Ze kent dus zowel de Russische als de westerse manier van leven en slaagt erin het typisch Russische zo te omschrijven dat het heel herkenbaar wordt voor de westerling – zo slaat ze een brug tussen twee werelden.

Toska

Toská (тоска) is een woord dat alleen Russen begrijpen (zeggen ze). Het woord longing uit de ondertitel komt daar nog het dichtst bij in de buurt. Toska is een combinatie van verlangen, verdriet, lijden maar ook een acceptatie dat wat eens was, nooit meer zal zijn. En tegelijk koppig blijven verlangen en geloven dat het ooit toch weer zo zal worden. En belangrijk: vooral de ander niet laten merken dat je toska ervaart: de Russische beer staat altijd fier rechtop. Herkenbaar, vind je niet?

Anya von Bremzen kent die toska door en door. Opgegroeid in de Sovjet-Unie en in Amerika, later teruggekeerd naar het ‘nieuwe’ Rusland – ze houdt van alle drie en verlangt naar alle drie. Ze zal nooit in alle drie tegelijk kunnen leven, daarvoor is ze te westers / Russisch / Amerikaans. Haar keuken is de enige plek waar ze alle drie tegelijkertijd kan ervaren: een keuken vol herinneringen.

Advertenties

Met je volle aandacht genieten

Sporten is mij niet bepaald op het lijf geschreven. Begrijp me niet verkeerd: ik heb al van alles geprobeerd. Toen ik een jaar of tien, twaalf was zat ik als enige meisje op judo. Ik kwam niet verder dan de gele band met twee oranje ‘slippen’ of hoe die stukjes oranje stof op mijn gele band ook heten mogen. Toen bleek dat de jongens te sterk voor me werden en haakte ik af. Ook gymnastiek heb ik geprobeerd, maar ik viel steeds van de balk en ik slaagde er niet in me om de hoge legger van de brug te slingeren. Daarna badminton maar eens proberen, maar mijn tegenstanders hadden al vlug door dat ik snel buiten adem raakte en lieten me alle hoeken van het veld zien. Bovendien sloeg ik verontrustend vaak in het net in plaats van erover. De diagnose ‘inspanningsastma’ bevrijdde me van het uitproberen van nog meer duursporten en voorkwam vele blamages op dat gebied.

Na mijn studie heb ik nog een tijd op yoga gezeten, maar ook dat bleek geen succes. De ruimte waarin we yoga beoefenden, was vaak koud, waardoor ik kramp kreeg in mijn tenen en voeten. Dus ik moest me steeds uit zo’n houding vouwen om de kramp eruit te wrijven of sokken aan te trekken. En sokken waren weer niet handig omdat je dan uitgleed op de gladde vloer.

Ik had me er al mee verzoend dat ik langzaam zou dichtslibben (want voor diëten ben ik ook al niet in de wieg gelegd) en dat mijn conditie mijn leven lang maar zo-zo zou blijven. Tot ik tai ji ontdekte.

Tai ji

Tai ji is een Chinese bewegingskunst. Voor mij staat dat gelijk aan sport. Je voert een serie bewegingen uit, die samen een bepaalde ‘vorm’ opleveren. Zo heb je een Yang 24-vorm en een Yang 37-vorm. De afzonderlijke bewegingen van zo’n vorm (ja, het klinkt een beetje ingewikkeld, maar zo heet het nu eenmaal) zijn in het begin lastig te leren, omdat je handen, voeten, armen, benen, middel en hoofd allemaal totaal iets anders doen. Een hele uitdaging voor je coördinatie, kan ik je vertellen. Maar doordat je zo moet opletten op wat al die ledematen doen, ben je heel erg geconcentreerd bezig en denk je niet aan wat er die dag allemaal gebeurd is en wat je de volgende dag moet doen. Je ontspant je door je in te spannen. Als je zo’n vorm eenmaal een beetje kent (ik doe het nu al een jaar of drie), ga je de diepte in en dan blijkt dat je de vorm kunt aanpassen aan het ritme van je ademhaling. Bij een inademing doe je de ene beweging, bij een uitademing de volgende en zo verder. Dat werkt zo mogelijk nog ontspannender.

Image: Mark Bolton
Tai ji is mij wél op het lijf geschreven: ik blijf constant in beweging (dus geen kramp) en de vorm gaat zo langzaam dat mijn astma lekker door blijft slapen. Bovendien pik ik als talenliefhebber ook nog Chinees op: tai ji quan, deng jong, qi cong, dan tijan (daar heb je er drie van), draken-daojan en zo meer. Geen idee wat ze betekenen trouwens. Ook de bewegingen zelf hebben prachtige namen: ‘grijp de mus bij zijn staart’, ‘de kraanvogel spreidt zijn vleugels’, ‘bespeel de luit’, … Bovendien zit er bij de kraanvogel-beweging nog een bekend filmelement in: dat is die beweging die iedereen kent uit Karate Kid, waarbij hij op 1 been staat met hoog gespreide armen en de handen in een hoek naar beneden. Je voelt je even een filmster.

Focus

De docent is een jonge vent die zich echt verdiept in de materie, maar wel met een nuchtere Hollandse kijk op de dingen. Ik had eerder al een proefles tai ji gevolgd bij een ander, waarbij de toenmalige docent enthousiast uitriep dat we bij de beweging ‘de tijger sluipt door het bos’ ook echt moesten blazen als een tijger. Dan heeft sluipen ook niet veel zin als je je komst door geblaas kenbaar maakt, dacht ik en ik besloot toen om niet verder te gaan.

De docent die ik nu heb, doet dat soort dingen gelukkig niet. Het enige dat hij van je eist is dat je er met je volle aandacht bij bent. Hij is erg van de herhaling, waarbij je dezelfde beweging ontelbare malen achter elkaar uitvoert. In het begin is dat erg eentonig en ook best een aanslag op je spieren en je uithoudingsvermogen omdat je de hele tijd met gebogen knieën staat. Maar dan merk je zelf dat je soepeler wordt en dat de beweging vloeiender wordt. Je volle aandacht erbij houden helpt dus, je wordt er beter van en daardoor kun je nog meer genieten van tai ji.

Helaas is mijn docent gestopt omdat hij het niet kan combineren met zijn reguliere baan. Met mijn volle aandacht genieten van mijn vrije maandagavond voelt wel anders.

Tante Nelleke

Soms zat ik met angst en beven naar Tussen Kunst & Kitsch te kijken. Al die tere porseleinen beeldjes, delicate juwelen, krakkemikkige stoelen, tafeltjes en kasten, broze keukentegels, doffe zilveren en gouden bestek en kandelaars, versleten tinnen vijzels, halfvermolmde houten staken uit de Oost. En Nelleke van der Krogt.

Begrijp me niet verkeerd, ik ben gek op haar. Ze is zo’n ‘favoriete tante’-figuur, met wie je onbedaarlijk hard kunt lachen maar aan wie je ook je diepste zielenroerselen toevertrouwt, omdat ze zo’n hartelijke vrouw is. Dat ze af en toe ongemakkelijke opmerkingen maakt, neem je voor lief. Ze is warm en een beetje gek.

Ze is ook enthousiast en kordaat. Af en toe zo enthousiast en kordaat dat je bijna onbewust naar je hartpillen zou willen grijpen als je die had. Als de expert vertelt over een of ander merkje onder op de vaas van een heel belangrijke maar jou volledig onbekende maker van driehonderd jaar terug, wil ze dat natuurlijk de kijker thuis laten zien. Kordaat pakt ze de grote vaas op en keert hem met de onderkant naar de camera. Diezelfde grote vaas waar de expert net uitvoerig over heeft zitten te vertellen dat het zo’n bijzondere vaas is omdat het porselein ‘werkelijk flinterdun’ is. Dan lijken die gemanicuurde handen van Nelleke waarmee ze net die vaas met een zwiep omkeerde, opeens op enorm grote boerenknuisten. In gedachten zie je het al voor je dat ze de vaas net te kordaat tegen de tafel zwiept. Krak. Daar gaat minimaal tienduizend euro.

Image: Patrick Hanlon

Gelukkig ging het altijd net goed. Dat zou je toch enigszins gerust moeten stellen, blijkbaar weet ze wel wat ze doet. Maar toch. In een van de afleveringen vertelde een expert over de Ploeg, een groep schilders uit Groningen uit begin vorige eeuw die radicaal anders wilde schilderen dan toen gangbaar was. Met felle kleuren en zonder vernis, zodat het er ruw en onbewerkt uitzag. Daar moesten de behoudende kunstliefhebbers van die tijd wel even aan wennen. ‘Shocking!!’, riep Nelleke uit om het nog eens te benadrukken. En terwijl ze dat uitriep, balde ze haar vuist en sloeg die kort en kordaat naar opzij en weer terug. Gevaarlijk dicht bij het desbetreffende schilderij. Ik had even het visioen dat Nellekes vuist dwars door dat schilderij heen zou gaan. Door dat ongetwijfeld dure schilderij, anders zat Nelleke er niet bij natuurlijk.

Het duurste item van die avond bleek een stel zilveren kandelaars. ‘Kind, wat veel!’, zei Nelleke op vertrouwelijke toon tegen de 60-jarige vrouw naast haar, de eigenares van de kandelaars. Die had ze ooit van haar moeder gekregen, die ook mee was en schuin achter haar zat. Moeke keek wel even zuur toen bleek dat ze 27.000 euro had weggegeven. ‘Ach, hoef je daar ook niet meer over na te denken als je je testament opmaakt!’, zei Nelleke joviaal en niet subtiel.

Die tante Nelleke toch. Zonder haar is Tussen Kunst en Kitsch niet hetzelfde. Toch zal het programma het vanaf komende woensdag zonder haar moeten doen. Ze gaat met welverdiend pensioen en draagt het stokje over aan Frits Sissing. Zal Frits net zo’n leuke neef worden?