Tijdspieken

Je ziet het wel vaker: mensen die strak voor zich uit staren, met hun hoofd leunend op de ene schouder en de kin naar voren. Dan draaien ze hun hoofd op de andere schouder, en dan weer terug – met een pijnlijk gezicht omdat ze een spiertje in hun nek overstrekt hebben. Waarom toch die capriolen? Nou, ze willen weten hoe laat het is. En ze zijn hun horloge vergeten. Dus zijn ze afhankelijk van de welwillendheid van andere mensen om een horloge te dragen.

Daar houdt die welwillendheid echter vaak op. Want het horloge is nog wel te zien, maar de wijzerplaat vaak niet. Die is meestal net buiten het blikveld van de niet-horlogedrager die wil weten hoe laat het is. Dus draait en draait hij zijn hoofd om de tijd te kunnen lezen op het horloge van de ander. Soms slaagt de niet-horlogedrager in zijn opzet en keert hij met een tevreden blik terug naar waar hij mee bezig was. Of de schrik slaat hem om het hart als hij erachterkomt dat hij al te laat is: dan gaat hij er halsoverkop vandoor. Soms ook leiden die capriolen tot niets: hoe de niet-horlogedrager ook draait en draait met zijn hoofd, de wijzerplaat is ver buiten bereik.

Waarom vraagt hij niet gewoon hoe laat het is, zou je denken. Maar nee, dat kan niet. Dat hoort niet bij de sport. Het gaat er juist om dat je zo onopvallend mogelijk op het horloge van de horlogedrager kijkt. Daarbij negeer je natuurlijk de verwarde blikken van je omgeving die niet snapt waarom je zo raar met je hoofd doet. Soms is er dan zo’n slimmerd die vraagt: ‘Wil je weten hoe laat het is of zo? Dat mag je best vragen hoor. Het is zes uur.’ Flauwerik. Nou is het spelletje verpest.


Image: Anastasia Tim

De beste horloges om de tijd op af te kijken zijn horloges met een lekker grote wijzerplaat, liefst zwarte cijfers op een witte achtergrond. Witte cijfers op een zwarte achtergrond mag eventueel ook. Maar het moet wel een flinke wijzerplaat zijn. Sommige vrouwen dragen zo’n elegant, slank horloge met een rechthoekige glanzende wijzerplaat waarop alleen de wijzers zichtbaar zijn. Ja, en die lullige kleine streepjes voor de 6 en de 12 – als je mazzel hebt hebben de ontwerpers ook aan een ministreepje voor de 3 en de 9 gedacht. Daar heb je dus helemaal niets aan als tijdspieker. Vergeet die streepjes dus maar. En die wijzers zijn uiteraard net zo elegant en slank als het horloge zelf – absoluut onzichtbaar. Als je als tijdspieker zo’n prachtig, waardeloos horloge ziet, kun je je de moeite besparen. Je komt er toch niet achter hoe laat het is op zo’n ding.

Hoe ik dat allemaal weet? Inderdaad, ik ben ook zo’n niet-horlogedrager. Het heeft me heel wat zere nekken gekost, ik ben ook heel vaak te laat gekomen op afspraken en ik heb heel wat tijd verspild met het staren naar een elegant dameshorloge. Wat mijn omgeving inmiddels van mijn staargedrag vindt, wil ik liever niet weten. Maar nu ben ik wel een volleerd tijdspieker. Weet iemand toevallig hoe laat het is?

Advertenties

Vespa

Wat staat hij er toch mooi bij. Stralend, glimmend en glanzend, geen krasje te zien. Het grijze, leren zadel staat perfect bij het strakke, zwartgelakte frame. Je kunt de lak bijna ruiken. Het chroom is blinkend gepoetst, zo glad als een spiegel. Het windscherm is schoongeboend tot er geen vlekje, geen smetje meer op te zien is en ziet er nu puntgaaf uit.

Trots staat de Vespa te pronken op de Grote Markt, onder een straatlantaarn die zijn felle licht genadeloos op de scooter laat schijnen. Des te beter, daar wordt hij alleen maar mooier van.


Image: Augusto Acero

Bij de Vespa staan twee mannen. De ene man is halverwege de vijftig, kalend, leesbril geplakt tegen het voorhoofd. Hij heeft zijn nepleren jas dapper over zijn bollende buik dichtgeritst, alsof de jaren gevuld met bier en ongezond eten nooit hebben plaatsgevonden. Dat mag niet baten: de jas staat gevaarlijk strak. Het lijkt alsof de rits elk moment kan knappen, waarbij de tandjes ongetwijfeld alle kanten op zullen springen. Zijn broek heeft het al opgegeven. Die probeert zich manmoedig onder de buik vast te klemmen om te voorkomen dat hij onverrichterzake naar beneden glijdt, boven op de afgetrapte schoenen.

De andere man is zo’n tien jaar jonger, met dik golvend, zwart haar dat achterover gekamd is en op zijn plek gehouden wordt door een sportieve zonnebril. Ook hij heeft een zwart leren jack aan, die zonder enige moeite over de strakke buik zit dichtgeritst, maar waarbij de schoudernaden duidelijk hun best moeten doen om te blijven zitten. Deze meneer gaat overduidelijk vaker naar de sportschool.

Man 2 heeft al een paar rondjes om de Vespa gelopen. Keurend, kijkend, peinzend. Af en toe buigt hij zich voorover, inspecteert de wielen. Kijkt in het spiegelende chroom, likt aan zijn vinger en wrijft over zijn wenkbrauw, komt weer overeind. Loopt naar de achterkant van de Vespa, buigt voorover, tikt wantrouwend tegen het achterlicht, komt weer overeind.

Hij vraagt iets aan zijn metgezel. Die staat al een tijdje te wachten, handen in de zakken, buik gelaten vooruitgestoken. Nu haalt hij zijn schouders op, handen nog steeds in de zakken, zegt iets tegen de jongere man. Ze praten een tijdje.

Het volgende ogenblik staat de Vespa moederziel alleen. Verlaten, in de steek gelaten, eenzaam. Hij glimt, blinkt, straalt en doet zijn best in het genadeloze licht van de straatlantaarn op de Grote Markt. De naderende nachtvorst trekt een huivering over het zwarte frame en spiegelend witte chroom.